AMSTERDAM – Twee Nederlandse hoogleraren staatsrecht stellen dat het advies van de Raad van State over de consensusrijkswet HOFA tekortschiet en onvoldoende ingaat op de belangrijkste staatsrechtelijke vragen over de autonomie van Aruba.
Volgens de auteurs blijft onduidelijk of Aruba werkelijk vrijwillig instemt met het financiële toezicht, of het toezicht daadwerkelijk tijdelijk is en of de wet de autonomie en het begrotingsrecht van de Staten van Aruba beperkt. Ook plaatsen zij vraagtekens bij de invloed van het Bestuursakkoord van 2024 op de consensusvorming.
De hoogleraren wijzen erop dat de Raad van State erkent dat HOFA de autonomie van Aruba beperkt, maar volgens hen ontbreken voldoende waarborgen dat het toezicht ook daadwerkelijk zal eindigen. Zij vrezen dat de Rijksministerraad uiteindelijk de doorslaggevende rol blijft spelen.
Daarnaast bekritiseren zij de voorgestelde goedkeuringsbevoegdheid van de Rijksministerraad, omdat die volgens hen niet past binnen het bestaande staatsrecht en een ongewenst precedent kan scheppen.
Tegelijkertijd erkennen de auteurs dat Aruba de overheidsfinanciën de afgelopen jaren aanzienlijk heeft verbeterd. Daardoor zetten zij vraagtekens bij de noodzaak van een nieuw financieel toezicht onder HOFA.